Drug use statistics Library Home Home Universiteit van Amsterdam
Boekhout van Solinge, Tim (1996), De schatting van het aantal verslaafden in Frankrijk. In: Boekhout van Solinge, Tim (1996), Heroïne, cocaïne en crack in Frankrijk. Handel, gebruik en beleid. Amsterdam, CEDRO Centrum voor Drugsonderzoek, Universiteit van Amsterdam. pp. 133-138.
© Copyright 1996 Tim Boekhout van Solinge. All rights reserved.

[PDF] [French] [Previous] [Contents] [Next]

Heroïne, cocaïne en crack in Frankrijk

Bijlage: De schatting van het aantal verslaafden in Frankrijk

Tim Boekhout van Solinge

In deze bijlage wordt de schatting van het aantal drugverslaafden in Frankrijk tegen het licht gehouden. Gezien het belang dat over het algemeen wordt toegekend aan prevalentiecijfers -met het gevaar dat die vervolgens een eigen leven kunnen gaan leiden- is het goed om te laten zien op welke populatie de schatting precies slaat en hoe men tot deze cijfers komt. Zoals zal blijken is de onzekerheidsmarge van deze cijfers groot, want het gaat hier om ruwe ramingen, die zijn gebaseerd op enkele aannamen die ook een onzekerheidsmarge hebben.

Weinig gegevens

Over het aantal verslaafden ('toxicomanes') hoort men in Frankrijk veel verschillende cijfers. Uiteraard hangt het ondermeer af van de definitie die men voor verslaafde hanteert, tot welk aantal men komt. Het onderscheid tussen druggebruiker (usager de drogue) en drugverslaafde ('toxicomane') wordt namelijk niet altijd gemaakt, waar nog bij komt dat niet altijd wordt vermeld om welke drug het gaat, laat staan dat de frequentie van het gebruik wordt gepreciseerd. De statisticus René Padieu heeft opgemerkt dat de schattingen van het aantal verslaafden c.q. druggebruikers variëren van tienduizend tot enkele miljoenen. Padieu stelt dan ook dat men het eigenlijk gewoon niet weet.[280]

Deze grote onzekerheid met betrekking tot het aantal verslaafden wordt ten dele veroorzaakt door de wetgeving. De Franse wet op de verdovende middelen (de wet van 31 december 1970) garandeert namelijk anonimiteit indien een beroep wordt gedaan op de hulpverlening. Dit maakt het onmogelijk om, zoals in Nederland gebruikelijk is, druggebruikers of verslaafden die zich hier melden te registreren (in bijvoorbeeld een geïnformatiseerd systeem).

Een tweede reden voor de geringe beschikbaarheid van betrouwbare prevalentiecijfers is dat de drugsproblematiek geen hoge prioriteit heeft gehad binnen het volksgezondheidsbeleid, getuige de weinige epidemiologische studies die er zijn uitgevoerd.

Zoals gezegd variëren de schattingen van het aantal druggebruikers of verslaafden van enkele tienduizenden tot enkele miljoenen. Schattingen volgens welke dit aantal in de tienduizenden loopt, zijn bijna altijd afkomstig van de politie of het departement waar de politie onder valt, Binnenlandse Zaken. Michel Bouchet, hoofd van de Parijse drugsbrigade beweerde onlangs nog in een televisie- uitzending dat het aantal gebruikers van verdovende middelen in Frankrijk 52.000 zou bedragen.[281] Feitelijk slaat dit cijfer op het aantal druggebruikers dat in 1994 werd aangehouden, te weten 52.518. Schattingen die het aantal druggebruikers of verslaafden in de miljoenen doen lopen, zijn -abusievelijk- gebaseerd op een steekproef van het marktonderzoeksbureau SOFRES. Volgens deze steekproef zou het aantal cannabisgebruikers in Frankrijk 4,7 miljoen bedragen. Feitelijk ging het hier alleen om de lifetime-prevalentie van de leeftijdscategorie 12-44 jaar. Overigens was de steekproef hier te klein (N=1.167) om al te veel gewicht toe te kennen aan de uitkomsten van de enquête; in ieder niet zo veel als over het algemeen, onder andere door de media, wordt gedaan.

Het kan niet genoeg worden benadrukt dat betrouwbare prevalentiecijfers over druggebruik in Frankrijk niet of nauwelijks bestaan. De meeste beschikbare cijfers zijn gebaseerd op enquêtes waarvan de steekproef te klein was om tot wetenschappelijk verantwoorde uitspraken te komen. De grote verschillen die men aantreft tussen de gepresenteerde cijfers van verschillende enquêtes, geven deze onbetrouwbaarheid al aan.[282]

Er bestaan weliswaar enkele studies waarvan de steekproef wel groot genoeg was om tot dergelijke uitspraken te komen, maar het bezwaar is dan weer dat deze studies (nagenoeg) geen onderscheid maken tussen de verschillende soorten drugs of dat er (vrijwel) niets wordt gezegd over de frequentie van het gebruik.[283] Er zijn in Frankrijk dan ook geen cijfers te vinden die de lifetime-prevalentie, laatste-jaarprevalentie en laatste-maandprevalentie van een bepaald druggebruik aangeven.

Prevalentiecijfers worden in de politiek graag gebruikt om het succes of falen van een bepaald beleid aan te kunnen tonen. Om deze reden wordt statistici soms gevraagd bepaalde cijfers te presenteren, terwijl er eigenlijk geen betrouwbare bronnen zijn op grond waarvan men tot een dergelijke schatting kan komen. Dit doet zich bijvoorbeeld voor in Frankrijk (maar niet alleen daar).

Officiële schattingen van het aantal drugverslaafden

Als men kijkt naar de schattingen met betrekking tot het aantal drugverslaafden die men van officiële zijde hoort, dan circuleren er over het algemeen twee schattingen. Volgens de eerste zou het aantal liggen tussen de 150.000 en de 300.000; volgens de tweede schatting -van recenter datum (1995)- ligt dit op 160.000.

De schatting van 150.000-300.000 slaat op het aantal drugverslaafden ('in het algemeen'), dat wil zeggen zij die legale stoffen misbruiken of zij die gedurende de laatste maanden regelmatig illegale stoffen hebben gebruikt.[284] De stoffen nicotine en alcohol worden hier echter buiten beschouwing gelaten. Deze schatting is lange tijd aangehouden door de Délégation Générale à la Lutte contre la Drogue et la Toxicomanie (DGLDT), de interdepartementale organisatie die het drugsbeleid coördineert.

De meer recente schatting van 160.000 slaat alleen op heroïneverslaafden, waarbij wordt toegevoegd dat het gaat om een minimale schatting van het aantal heroïneverslaafden dat zich heeft gewend tot de zorg.[285]

Voor beide schattingen geldt dat zij zijn gebaseerd op cijfers van de zorginstellingen en dus niet op gegevens van bevolkingsenquêtes. De bron van beide schattingen is de jaarlijkse enquête van de Service des Statistiques, des Etudes et des Systèmes d'Information (SESI) van het Ministerie van Sociale Zaken. Deze dienst houdt elke jaar in de maand november een enquête onder bezoekers van drie soorten zorginstellingen: gespecialiseerde centra, ziekenhuizen en niet-gespecialiseerde sociale centra.[286] Omdat de enquête in de maand november wordt gehouden, wordt zij ook wel l'enquête de novembre genoemd. Deze enquête van de SESI is -bij gebrek aan beter- de voornaamste bron met betrekking tot verslaafden waarover men in Frankrijk beschikt. De schatting van 150.000-300.000 is gebaseerd op gegevens van de SESI uit 1990; die van 160.000 op gegevens van 1993.

Aangezien de Franse wet op de verdovende middelen (de wet van 31 december 1970) anonimiteit garandeert indien een beroep wordt gedaan op de hulpverlening, is het niet mogelijk druggebruikers of verslaafden die zich hier melden te registreren. Als gevolg hiervan weet men niet wie zich meldt bij de zorg en hoe lang het contact met de zorg al bestaat.

Een verdere beperking is dat de zorginstellingen niet bijhouden hoeveel het totaal aantal hulpvragen jaarlijks bedraagt. Althans, van de zojuist genoemde drie drugshulpinstellingen houden alleen gespecialiseerde centra dit bij; de ziekenhuizen en niet-gespecialiseerde sociale centra doen dit niet.

Feitelijk kent men alleen over de maand november de precieze aantallen van het aantal hulpvragen bij de drie eerder genoemde zorginstellingen. Het is immers in deze maand dat de SESI de enquête de novembre uitvoert.

Samenvattend kan dus worden gezegd dat de drie zorginstellingen gegevens hebben over de maand november, waarbij (alleen) de gespecialiseerde centra ook nog gegevens hebben over het gehele jaar. Het totaal aantal drugshulpvragen bij de (drie) zorginstellingen is dus niet bekend. Men kan hier wel een raming van maken door bij de gespecialiseerde centra te kijken naar de verhouding van het aantal hulpvragen in het jaar ten opzichte van die in de maand november. (Nogmaals, alleen de gespecialiseerde centra hebben gegevens op jaarbasis.) De factor die hier uitkomt, kan men vervolgens loslaten op het aantal hulpvragen in de maand november opdat men komt tot een raming van het aantal drugshulpvragen (bij de drie zorginstellingen) op jaarbasis.

De gegevens van de SESI zeggen iets over de personen die zich wenden tot deze drie zorginstellingen, wat dus niet betekent, zoals de SESI zelf opmerkt, dat zij een prevalentieschatting mogelijk maken. De enquête van de SESI dekt namelijk niet alle verslaafden en laat sommige gegevens buiten beschouwing, zoals die van zorgcentra van (midden-)lange verblijf, (algemene) klinieken en huisartsen.[287] Tevens merkt de SESI op dat sommige verslaafden geen enkel contact met een zorginstelling hebben. Volgens de SESI zijn zij ofwel gemarginaliseerd waarbij zij beheerst omgaan met hun verslaving, ofwel zij zijn volledig sociaal geïntegreerd.[288]

Het is echter onduidelijk welk deel van de verslaafden in contact is met de zorg. Volgens het jaarrapport (1994) van de DGLDT is één op de twee verslaafden niet in contact is met de zorginstellingen.[289] Ook het Franse Ministerie van Sociale Zaken erkent dat slechts 50% van de verslaafden een beroep doet op de zorg, waar het aan toevoegt dat het met name de meest gemarginaliseerde verslaafden zijn die buiten de zorg vallen.[290]

Een schatting met behulp van de theorie van stationaire bevolkingen

Op basis van gegevens van de enquête de novembre van de SESI komt men een schatting van het aantal verslaafden. Zoals al aangegeven circuleren er twee ramingen: 150.000-300.000 drugsverslaafden en 160.000 heroïneverslaafden. Beide schattingen zijn van de hand van de statisticus Jean-Michel Costes, voorheen werkzaam voor het Ministerie van Sociale Zaken, tegenwoordig werkt hij voor het Observatoire français des drogues et toxicomanies (OFDT).

Costes komt tot deze ramingen met behulp van de theorie van stationaire bevolkingen die is ontleend aan demografie. Uitgangspunt van deze demografische theorie is dat de (stationaire) bevolking de volgende karakteristieken heeft: de bevolking kent een constant (stationair) aantal, waarbij het constante aantal geboorten en sterfgevallen elkaar compenseert. De totale bevolking is te berekenen door het produkt te nemen van het aantal jaarlijkse geboorten en de gemiddelde levensverwachting.

Indien deze theorie wordt toegepast op de populatie verslaafden, dan verstaat men onder de jaarlijkse instroom de mensen die zich in een bepaald jaar voor de eerste keer melden bij de hulpverlening; onder 'levensverwachting' wordt de gemiddelde verslavingsduur verstaan. Uit de volgende tabel blijkt op basis van welke aannamen men is gekomen tot de schatting van 150.000 tot 300.000 verslaafden.

Tabel B.1. Schatting van het aantal drugsverslaafden
Jaarlijkse instroom Gemiddelde duur verslaving
8 jaar 11 jaar
19.300 154.400 212.300
26.600 188.800 292.600
Bron: Costes (1992)

Uit de tabel blijkt dat de schatting van het aantal verslaafden die men hanteert, in eerste instantie afhangt van twee variabelen: de jaarlijkse instroom van verslaafden, bestaande uit het aantal verslaafden dat zich jaarlijks voor het eerst meldt bij de hulpverlening, en de gemiddelde verslavingsduur. Het aantal drugverslaafden is vervolgens het produkt van deze beide.

In de tabel staan twee cijfers voor de jaarlijkse instroom, 19.300 en 26.600. Deze cijfers zijn hypothetisch, want zij zijn niet precies bekend. Zoals eerder al is aangegeven, is het jaarlijkse aantal hulpvragen bij de zorginstellingen niet bekend. Dit impliceert uiteraard dat het aantal personen dat zich voor het eerst meldt, evenmin bekend is. Wel heeft men deze cijfers voor de gespecialiseerde instellingen. Het is afhankelijk van verschillende aannamen en de wijze waarop de cijfers van de gespecialiseerde centra worden geëxtrapoleerd tot de drie zorginstellingen, of de jaarlijkse instroom 19.300 of 20.600 bedraagt.

Omdat deze berekening uitgaat van verschillende aannamen waarbij cijfers van de maand november -op enigszins discutabele wijze- worden geëxtrapoleerd tot jaarcijfers, is de onzekerheidsmarge van deze instroomcijfers groot. Ook kan men vraagtekens plaatsen bij de veronderstelde verslavingsduur van 8 of 11 jaar. Het voert iets te ver om hier op de verschillende onderdelen van de raming in te gaan, temeer daar zij enigszins verouderd is en het hier ging om een niet erg duidelijke definitie van verslaafden. Het is daarom raadzamer wel nader in te gaan op de recentere schatting van 160.000 heroïneverslaafden.

De schatting van 160.000 heroïneverslaafden

In een recentelijk verschenen statistisch overzicht heeft Jean-Michel Costes een poging gedaan te komen tot een schatting van het aantal heroïneverslaafden.[291] Hij merkt er bij op dat het hier gaat om een minimale schatting van het aantal heroïneverslaafden dat zich heeft gewend tot de hulpverlening. Onder heroïneverslaafden (héroïnomanes) wordt hier verstaan: personen die de laatste maanden langdurig en op regelmatige wijze heroïne (als voornaamste stof) hebben gebruikt.[292] Net als bij de vorige schatting wordt hier onder hulpverlening verstaan de drie eerder genoemde zorginstellingen die door de enquête de novembre van de SESI worden gedekt. genoemd: gespecialiseerde centra, ziekenhuizen en niet-gespecialiseerde sociale centra.

Eerder is al aangegeven dat er daarnaast ook nog andere zorginstellingen zijn (waarvan de gegevens hier dus buiten beschouwing worden gelaten) en dat niet alle verslaafden -maar welk deel is onbekend- zich tot de zorg wenden. De schatting van het aantal heroïneverslaafden die hier wordt gepresenteerd, is dus een subgroep van het totaal aantal gebruikers en verslaafden van/aan heroïne.

Ook hier wordt bij de schatting gebruik gemaakt van de theorie van de stationaire bevolkingen. De totale populatie verslaafden wordt dan: de jaarlijkse instroom van heroïneverslaafden (zij die zich voor het eerst bij de hulpverlening melden) vermenigvuldigd met de gemiddelde.

Het aantal heroïneverslaafden dat zich jaarlijks voor het eerst bij de zorg meldt, wordt geschat op 20.000, de gemiddelde verslavingsduur wordt geschat op 8 jaar. Het aantal heroïneverslaafden zou hiermee 'dus' ten minste 160.000 bedragen.

De twee aannamen waarop deze schatting is gebaseerd hebben beide een zekere onzekerheidsmarge.

De gemiddelde verslavingsduur van 8 jaar waar bij deze raming van uit wordt gegaan, is gebaseerd op (slechts) één studie uit 1991-92 van het Institut National de la Santé et de la Recherche Médicale (INSERM).[293] Afgezien hiervan klinkt een gemiddelde verslavingsduur van 8 jaar natuurlijk niet erg waarschijnlijk.

Ook bij de berekening van de jaarlijkse instroom van 20.000 heroïneverslaafden die zich voor het eerst bij de zorg melden, zijn verschillende vraagtekens te plaatsen. Dit aantal is namelijk niet bekend, en moet worden geschat door uit te gaan van verschillende aannamen en daarbij cijfers van de maand november te extrapoleren tot jaarcijfers.

De cijfers van de enquête de novembre uit 1993 laten zien dat zich in november 1993 9.000 heroïneverslaafden hebben gemeld bij de drie zorginstellingen. Voor 3.800 van deze 9.000 was dit voor het eerst. Het is echter onbekend hoeveel heroïneverslaafden zich in (heel) 1993 hebben gemeld bij de zorg. Zoals eerder al duidelijk is gemaakt, houden van de drie zorginstellingen waarvan de gegevens hier worden gebruikt, alleen de gespecialiseerde centra bij hoeveel het aantal hulpvragen op jaarbasis bedraagt. Men kan dan bij deze gespecialiseerde centra bekijken hoe het aantal hulpvragen in de maand november zich verhoudt tot die in het gehele jaar. (Nogmaals, deze vergelijking is alleen bij de gespecialiseerde centra te maken, de ziekenhuizen en niet-gespecialiseerde sociale centra hebben alleen gegevens over november.) Men ziet dan dat bij de gespecialiseerde centra zich in (geheel) 1993 9.500 heroïneverslaafden voor het eerst bij de zorg meldden, en in de maand november waren dit er 1.800. Dit komt neer op een factor 5,3. Dit betekent dus -vreemd genoeg- dat het aantal heroïneverslaafden dat zich gedurende het jaar 1993 bij de zorg meldde 5,3 maal zoveel hoger lag dan het aantal aanmeldingen in de maand november. Met andere woorden, november zou de maand zijn waarin zich bovenproportioneel veel heroïneverslaafden wenden tot de zorg. (De komst van de winter zou hiervoor een verklaring kunnen zijn).

De factor 5,3 van de gespecialiseerde instellingen wordt vervolgens losgelaten op het geheel van de drie zorginstellingen. Zo wordt het aantal heroïneverslaafden dat zich in november 1993 bij de zorg meldde, vermenigvuldigd met 5,3 opdat men komt tot een schatting van het aantal in het jaar 1993. Aangezien er in november 1993 3.800 heroïneverslaafden waren die zich hier voor het eerst meldden, wordt de raming van dit aantal op jaarbasis (3.800 x 5,3) 20.000.

Zoals we al hebben gezien zijn dus vraagtekens te plaatsen bij de twee aannamen volgens welke men komt tot 160.000 heroïneverslaafden. Nogmaals zij benadrukt dat dit betekent dat er ten minste 160.000 heroïneverslaafden zijn die zich tot de hulpverlening hebben gewend, waarbij door Costes wordt aangetekend dat de onzekerheidsmarge, die niet precies is te berekenen, groot is. Het enige dat wel met zekerheid kan worden vastgesteld, is dat het aantal heroïneverslaafden ten minste 160.000 bedraagt. Met andere woorden, het zijn er in ieder geval niet minder.

Gelet op de aard van de publikatie waarin de schatting van Costes staat -het eerste statistische overzicht van drugs en verslaving van de betrokken regeringsinstanties- mag worden verwacht dat dit, in ieder geval voorlopig, de 'officiële' standaard zal zijn.

[Previous] [Next]

Last update: May 25, 2016