Drug use statistics Library Home Home Universiteit van Amsterdam
Boekhout van Solinge, Tim (1996), Conclusies en samenvatting. In: Boekhout van Solinge, Tim (1996), Heroïne, cocaïne en crack in Frankrijk. Handel, gebruik en beleid. Amsterdam, CEDRO Centrum voor Drugsonderzoek, Universiteit van Amsterdam. pp. 119-131.
© Copyright 1996 Tim Boekhout van Solinge. All rights reserved.

[PDF] [French] [Previous] [Contents] [Next]

Heroïne, cocaïne en crack in Frankrijk

Conclusies en samenvatting

Tim Boekhout van Solinge

Algemene conclusie

Frankrijk heeft op het gebied van drugs een groot probleem. Dit betreft niet zozeer het relatief grote aantal heroïneverslaafden -de laagste schatting komt op 160.000-, maar eigenlijk nog meer de wijze waarop het de drugsproblematiek heeft aangepakt. De meeste Europese landen kwamen in de jaren tachtig tot een bijstelling van het drugsbeleid toen de Aidsproblematiek zich begon te manifesteren. Intraveneus druggebruik en het door druggebruikers delen van spuiten brachten immers grote besmettingsrisico's met zich mee. Door de komst van Aids gingen de meeste landen over tot een pragmatischer aanpak van het drugsvraagstuk; maatregelen als spuitomruil en methadonprogramma's werden hiervoor opgezet.

Deze ontwikkelingen zijn aan Frankrijk voorbij gegaan. Men kan daarom met recht spreken van een exception française. Frankrijk is tot in de jaren negentig blijven volharden in een beleid dat door de socioloog Alain Ehrenberg is omschreven als de gouden driehoek van abstinentie-afkicken-uitbannen. Druggebruik en verslaving moesten volgens deze benadering worden bestreden; zij mochten op geen enkele manier worden 'geaccepteerd'. Methadonverstrekking en spuitomruil werden in deze visie beschouwd als een teken van zwakte, omdat deze maatregelen impliceerden dat werd toegegeven aan druggebruik en verslaving. Het kwam er, kortom, op neer dat de handdoek in de ring werd geworpen. De commissie Henrion, de 'commissie van wijzen' die zich in opdracht van de regering een jaar lang over de drugsproblematiek heeft gebogen en in het voorjaar van 1995 haar rapport presenteerde, heeft het Franse drugsbeleid omschreven als "vooral niets doen wat het leven van verslaafden gemakkelijker kan maken".[272]

De gevolgen van het gevoerde beleid zijn inmiddels bekend. Het rapport-Henrion spreekt in dit opzicht van een "sanitaire en sociale catastrofe". Een aanzienlijk deel van de intraveneuze druggebruikers draagt infectieziektes met zich mee. Ongeveer 30% van de heroïneverslaafden is HIV-seropositief; een ruim twee keer zo groot deel van hen is besmet met hepatitis B of C. Daarnaast bevinden veel verslaafden zich in een gemarginaliseerde positie, een situatie die zich lijkt te verergeren. Hier moet aan worden toegevoegd dat deze cijfers gelden voor de druggebruikers die bekend zijn bij de zorg. Naar schatting de helft van de verslaafden is namelijk niet in contact met de zorg, waarbij met name de meest gemarginaliseerden dit contact moeten ontberen.

Wat zijn nu de redenen dat Frankrijk een dergelijk beleid heeft gevoerd? De eerste reden moet worden gezocht in de aard van het Franse gezondheidssysteem dat vooral curatief is en slechts in geringe mate preventief van aard is. Dit brengt als gevaar met zich mee dat mogelijke bedreigingen voor de volksgezondheid niet tijdig kunnen worden gesignaleerd. Dit bleek bijvoorbeeld met de 'transfusie-affaire' waarbij een groot aantal hemofilie-patiënten HIV-besmet bloed kreeg toegediend. Hetzelfde bleek toen men er -te laat- achter kwam dat een groot aantal druggebruikers seropositief was. De omvang hiervan was zodanig dat het een gevaar voor de volksgezondheid vormde. Wat zich hier in Frankrijk heeft voorgedaan, is feitelijk terug te voeren op het ontbreken van een volksgezondheidsbeleid in Frankrijk. Sinds de Aidsproblematiek zich in Frankrijk heeft geopenbaard als volksgezondheidsprobleem, wordt dit ook volmondig erkend door ministers en het Haut comité de la santé publique.

Een tweede reden voor het bijzondere beleid dat Frankrijk heeft gevolgd, is dat met de inwerkingtreding van de Franse drugswetgeving (in 1970) het drugsbeleid rechtstreeks onder de bevoegdheid van de staat kwam te vallen, die de verslavingszorg vervolgens uitbesteedde aan een groep specialisten, hoofdzakelijk bestaande uit psychiaters: les intervenants en toxicomanie. Deze specialisten zagen geen heil in harm reduction-maatregelen als spuitomruil en methadon, omdat deze in hun ogen voorbijgingen aan de dieperliggende (individuele) problematiek van de druggebruiker. De intervenants en toxicomanie hebben tot aan de jaren negentig het monopolie op de verslavingszorg gehad, waarbij zij geen noemenswaardige concurrentie hadden te duchten van andere beroepsgroepen als sociologen en criminologen. Dit verklaart waarom in Frankrijk de nadruk heeft gelegen op een klinische benadering van druggebruik en verslaving.

In de jaren negentig trad een kentering in het beleid op. Men kwam tot het inzicht welke repercussies het tot dusver gevoerde beleid had gehad. Frankrijk bleek absoluut gezien het hoogste aantal Aidsslachtoffers van de Europese Unie te hebben, waarvan een aanzienlijk deel was veroorzaakt door intraveneus druggebruik. Men gaf -officieel- toe zich vergist te hebben in de aanpak en men kwam tot de conclusie dat een harm reduction-benadering van de drugsproblematiek vereist was, waarbij alsnog werd overgegaan tot methadonprogramma's en spuitomruil. Het is aan gezondheidsminister Simone Veil en haar onderminister Philippe Douste-Blazy toe te schrijven dat dit beleid in gang werd gezet. Hierbij moet echter niet worden vergeten dat het niet de regering zelf is geweest die hiertoe het initiatief heeft genomen, maar dat deze politieke beslissingen het gevolg waren van een lobby van verschillende bewegingen die pleitten voor harm reduction. De bewegingen waren verenigd in de overkoepelende organisatie Limiter la casse.

Sinds het aantreden van president Chirac en premier Juppé zijn er tekenen die weer enigszins in een andere richting wijzen. De ambitieuze plannen van de vorige regering om te komen tot een werkelijk harm reduction-beleid, met andere woorden om de achterstand die Frankrijk op dit gebied heeft in te lopen, worden onder de huidige regering niet doorgezet. Weliswaar is er formeel niet gekozen voor een andere beleidslijn, maar de algehele budgettaire problemen waarmee de regering-Juppé te kampen heeft, staan de beoogde, verdere uitbreiding van de zorg in de weg. Hier komt nog bij dat het Ministerie van Volksgezondheid tegenwoordig is gedegradeerd tot een staatssecretariaat. Dit geeft niet alleen aan dat gezondheidsvraagstukken onder de huidige regering een lagere prioriteit hebben dan onder de vorige, ook bestaan er hierdoor minder mogelijkheden tot het nemen van maatregelen op dit gebied dan onder de vorige regering.

Frankrijk mag officieel dan wel zijn overgestapt op een drugsbeleid waarin een grotere rol wordt toebedeeld aan harm reduction, maar men zou zich kunnen afvragen of hier in de praktijk wel zo veel van terecht zal komen. Een harm reduction-benadering van de drugsproblematiek behelst immers meer dan alleen een uitbreiding van de verslavingszorg. Het begrip harm reduction zoals dat momenteel in Frankrijk gestalte krijgt, bestaat feitelijk alleen uit enkele directe uitingen van deze benadering, zoals methadonprogramma's en spuitomruil, terwijl een werkelijk harm reduction-beleid die deze 'directe' harm reduction overstijgt, veel meer inhoudt. Er bestaan namelijk ook andere vormen van harm reduction, zoals de scheiding tussen soft- en harddrugs, het tolereren van de individuele verkoop van drugs en het voorkomen dat druggebruikers in aanraking komen met politie en justitie. Korter gezegd, hebben deze andere vormen van harm reduction betrekking op de condities waaronder druggebruik plaatsvindt, waarbij druggebruik wordt geaccepteerd. Een eerste stap in deze richting zou kunnen worden gezet door bijvoorbeeld druggebruik niet langer strafbaar te stellen.

Deze laatste gedachte lijkt voorlopig in Frankrijk onbespreekbaar. Niet moet worden vergeten dat ondanks de formele kentering die in het beleid is opgetreden, veel van de 'traditionele' opvattingen over druggebruik en verslaving nog steeds heersen in Frankrijk. Zelfs in een rapport dat zich redelijk gunstig uitspreekt over het Nederlandse drugsbeleid -het rapport-Ghysel-[273] vindt men hier sporen van terug. Niet voor niets staat in dit rapport vetgedrukt dat het gebruik van bepaalde harddrugs in sommige Nederlandse steden wordt getolereerd. Afgezien van het feit dat druggebruik in Nederland geen delict is, net als overigens in de meeste landen van de Europese Unie, geeft een dergelijk opmerking wel aan dat men zich in Frankrijk vooralsnog moeilijk een voorstelling kan maken van een beleid dat druggebruik accepteert.

Hier komt bij dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken nog steeds grotendeels de uiteindelijke uitvoering van het drugsbeleid bepaalt. Ondanks de formele kentering die is opgetreden in het drugsbeleid, is het aantal aanhoudingen voor overtredingen op de drugswetgeving in 1995 blijven stijgen. Vorig jaar vonden er in Frankrijk bijna 70.000 drugsaanhoudingen plaats (een nieuw record), waarbij vooral meer druggebruikers zijn aangehouden. Een werkelijke harm reduction-benadering van de drugsproblematiek lijkt moeilijk verenigbaar met een dergelijk repressief beleid.

In dit rapport wordt een overzicht gegeven van de situatie met betrekking tot heroïne, cocaïne en crack in Frankrijk. In het bijzonder gaat het om de handel en het gebruik van deze drugs, alsmede om het beleid dat ten aanzien hiervan is en wordt gevoerd. Tezamen met het eerder verschenen rapport Cannabis in Frankrijk bestaat hiermee een duidelijk overzicht van de drugssituatie in Frankrijk.

De gegevens in dit rapport zijn ontleend aan gesprekken met werkers in het veld van de drugsproblematiek, zoals artsen, sociaal werkers, wetenschappers, mensen van politie en justitie en -uiteraard- druggebruikers. Behalve dat gesprekken zijn gevoerd, is ook veel 'veldwerk' verricht. Hiervoor zijn bijvoorbeeld drugsscenes bezocht en zijn bezoeken gebracht aan achterstandswijken in hoofdzakelijk Parijs en omstreken. Tevens is voor dit onderzoek de situatie in Lille in ogenschouw genomen.

Naast de vele gesprekken die hebben gediend als bron voor dit rapport, is gebruik gemaakt van de documentatie die over dit onderwerp beschikbaar is, zoals boeken, artikelen, etc.

Dit rapport bestaat uit twee delen. Het eerste deel is gewijd aan de 'markt', dat wil zeggen de vraag naar en het aanbod van de drugs die worden besproken. De eerste twee hoofdstukken handelen over heroïne. Het eerste hoofdstuk zal de heroïnehandel bespreken, zowel de internationale (Europese) handel als wat bekend is over de handel in Europa. Hoofdstuk twee zal nader ingaan op de vraagkant van heroïne, ofwel de gebruikers. De hoofdstukken drie en vier zullen respectievelijk gaan over het aanbod van, en de vraag naar cocaïne en crack. Hoofdstuk drie gaat in op de handel in cocaïne en crack, terwijl hoofdstuk vier weergeeft wat er in Frankrijk bekend is over de gebruikers van deze stoffen.

Het tweede deel van dit rapport is gewijd aan het drugsbeleid. Hoofdstuk vijf zal ingaan op de de wetgeving, de achtergronden van de wetgeving en de toepassing van de wet. Hoofdstuk zes zal nader ingaan op het Franse model van de verslavingszorg. Hoofdstuk zeven tenslotte, zal het nieuwe beleid van de jaren negentig beschrijven. Zoals al is opgemerkt koos Frankrijk toen voor een harm reduction-benadering.

Hoofdstuk 1: de aanbodzijde van heroïne[274]

In dit hoofdstuk is een overzicht gegeven van de aanbodzijde van heroïne: de handel. Allereerst is beschreven uit welke landen de grondstof van heroïne, opium, vandaan komt en via welke routes zij naar Europa komt. Het overgrote deel van de heroïne op de Europese markt wordt gemaakt op basis van opium uit Afghanistan. Via landen als Pakistan, Iran en Turkije bereikt de heroïne of morfinebase vervolgens de Europese markt. Turkije speelt een sleutelrol in de verdere handel in de richting van Europa. Niet alleen is het land hiervoor uitermate geschikt gelet op zijn geografische ligging en zijn invloedssferen in met name Oostelijke richting, de Turkse diaspora in Europa maakt een verdere distributie goed mogelijk. Een vrij recente ontwikkeling is dat er in Turkije nu ook verschillende laboratoria zijn waar morfinebase wordt verwerkt tot heroïne.

De traditionele handelsroute van de heroïne vanuit Zuidoost-Europa naar West-Europa is de zogenaamde Balkanroute. Alhoewel deze route nog steeds belangrijk is, zijn de handelsroutes sinds de Balkanoorlog en het wegvallen van het ijzeren gordijn in sterke mate gediversificeerd. Steeds vaker lopen zij tegenwoordig via Oost-Europa. Een andere route die wordt gebruikt is de Middellandse Zee.

Ondanks de diversificatie van de handelsroutes, bereikt het grootste deel van de heroïne nog steeds via landroutes West-Europa. Of de heroïne nu via de traditionele Balkanroute of via Oost-Europa naar West-Europa komt, Duitsland is in de meeste gevallen de 'poort' tot de Europese Unie. Niet voor niets onderschept Duitsland 30% van de totale heroïnevangsten in de Europese Unie.

Wordt gekeken naar de heroïne die in Frankrijk wordt onderschept, dan blijkt een aanzienlijk en groeiend deel uit Nederland afkomstig. Ondanks de ernst van deze kwestie, moeten er toch ook enige kanttekeningen bij deze cijfers worden geplaatst. Zo is het bijvoorbeeld vreemd dat er zo weinig heroïne wordt onderschept uit landen als Duitsland, Italië, Turkije en Zwitserland. Het vermoeden bestaat dat de heroïne uit Nederland is oververtegenwoordigd in de Franse statistieken. Dit zou betekenen dat andere aanvoerroutes hierin zijn ondervertegenwoordigd. Daarnaast kan men zich afvragen of er überhaupt wel zo veel heroïne wordt onderschept in Frankrijk. Met het oog op de grootte van de Franse afzetmarkt en vergeleken met de heroïnevangsten van andere (grote) Westeuropese landen, zijn deze hoeveelheden in ieder geval weinig imponerend.

De prijs die voor heroïne in Frankrijk moet worden betaald is over het algemeen hoog. Bezien over heel Frankrijk bedraagt de prijs 800 tot 1.000 frank per gram.

De kwaliteit van de heroïne die wordt aangeboden is laag. Verschillende monsters die in Parijs zijn genomen wezen er op dat de zuiverheid over het algemeen lag tussen de 5% en 20%. In het 18e arrondissement van Parijs, een deel van de stad met veel verslaafden, is deze zelden hoger dan 10%; een zuiverheid van 5% is hierbij zeker geen uitzondering. Dit is in overeenstemming met wat naar voren is gekomen uit de vele gesprekken die met verslaafden zijn gevoerd. Volgens hen is de kwaliteit de afgelopen jaren alsmaar gedaald.

Heroïne is op het eerste gezicht niet zo gemakkelijk te verkrijgen in Frankrijk. Dit is echter ook betrekkelijk en sterk afhankelijk van de plaats waar men gaat kijken. Een groot verschil met Nederland is namelijk dat de scenes in Frankrijk meestal veel periferer liggen dan in Nederland, en daardoor veel minder zichtbaar zijn voor de niet-ingewijde. Iemand die op zoek is naar heroïne, zal deze wel weten te vinden. In bepaalde wijken is het erg eenvoudig om heroïne te krijgen, evenals in sommige cafés in de Parijse regio.

De laatste jaren doet zich de ontwikkeling voor dat het soms eenvoudiger is om crack te vinden dan heroïne. Het is onduidelijk wat hier precies de oorzaak van is. Voor dealers is het in ieder geval vaak lucratiever om crack in plaats van heroïne te verkopen. Een mogelijke verklaring voor de populariteit van deze drug is dat de kwaliteit van de heroïne zo laag is.

Hoofdstuk 2: De vraagkant van heroïne: de gebruikers

In dit hoofdstuk is een overzicht gegeven van wat er bekend is over de gebruikers van heroïne in Frankrijk. Allereerst is ingegaan op de prevalentie van heroïne, ofwel de schattingen van het aantal verslaafden.[275] Probleem bij de beschikbare cijfers is dat zij weinig betrouwbaar zijn. Dit hangt ondermeer samen met het feit dat de Franse drugswetgeving anonimiteit garandeert indien een beroep wordt gedaan op de hulpverlening, wat een registratie van druggebruikers die zich hier melden onmogelijk maakt. Als gevolg hiervan weet men niet wie zich meldt bij de zorg en hoe lang het contact met de zorg al bestaat. Een andere reden voor de geringe beschikbaarheid van dergelijke cijfers is dat de verslavingsproblematiek geen hoge prioriteit heeft gehad binnen het volksgezondheidsbeleid.

In Frankrijk circuleren veel verschillende getallen met betrekking tot het aantal verslaafden, waarbij het vaak onduidelijk is wat precies onder 'verslaafden' wordt verstaan. De laatste jaren zijn er twee 'officiële' schattingen geweest van het aantal verslaafden. De eerste dateert uit 1990 en komt op een raming van 150.000 tot 300.000 drugsverslaafden ('in het algemeen'), dat wil zeggen zij die legale stoffen misbruiken of zij die gedurende de laatste maanden regelmatig illegale stoffen hebben gebruikt. (Nicotine en alcohol worden hier buiten beschouwing gelaten.)

De tweede schatting is van 1995 en komt tot een aantal van 160.000. Zij slaat (alleen) op verslaafden aan heroïne, waarbij wordt toegevoegd dat het gaat om een minimale schatting van het aantal heroïneverslaafden dat zich heeft gewend tot de zorg.

De onzekerheidsmarge van deze schattingen is groot. Zij komen namelijk tot stand op grond van verschillende aannames en extrapolaties. Hier komt nog bij dat het een schatting betreft van de verslaafden die zich melden bij de zorg, terwijl onbekend is welk deel van de verslaafden hiermee in contact is. Sommige bronnen -waaronder regeringsstukken- gaan er van uit dat slechts één op de twee verslaafden in contact is met de zorg, wat zou kunnen betekenen dat het werkelijke aantal verslaafden aanzienlijk hoger ligt.

Heroïne wordt in Frankrijk vrijwel altijd intraveneus gebruikt; volgens de jaarlijkse enquête de novembre zou 87% van de gebruikers spuiten. Net als elders wordt er in Frankrijk veel 'bijgebruikt'. Het bijzondere aan de Franse situatie is dat er over het algemeen vrij gemakkelijk aan medicijnen is te komen, niet alleen via de huisarts, maar ook op straat. Er is daarom vrij veel bijgebruik van opiaten als rohypnol, temgesic en andere vormen van buprenomorfine. Daarnaast is er veel bijgebruik van verschillende codeïnepreparaten, omdat veel van deze middelen zonder voorschrift te koop zijn in de apotheek. De bekendste van deze preparaten is het hoestmiddel néocodion, waarvan jaarlijks 11 miljoen doosjes worden verkocht; vrijwel alle aan opiaatafhankelijken.

De gemiddelde leeftijd van de heroïneverslaafden zoals die naar voren komt uit enkele bronnen, ligt rond de 27 jaar. Sinds enkele jaren vertoont de gemiddelde leeftijd weliswaar een stijging, maar deze verloopt langzaam, hetgeen er op lijkt te duiden dat er nog steeds een aanwas van jonge verslaafden is.

Er zijn weinig harde gegevens (zoals statistieken) over de achtergrond van de verslaafden, zoals de etniciteit, sociaal-economische achtergrond, etc. De reden hiervoor is ondermeer gelegen in het feit dat Franse wetgeving het niet mogelijk maakt etniciteit te registreren. In Frankrijk kan men dus niet, zoals men in Nederland placht te doen, het percentage 'allochtonen' vaststellen. Het enige dat kan worden bepaald is de nationaliteit: volgens verschillende bronnen heeft tussen de 65% en 90% van de verslaafden de Franse nationaliteit.

Niet alleen op het gebied van de wetgeving zijn er hier verschillen tussen Frankrijk en Nederland, ook verschillen de opvattingen over de -mogelijke- oorzaken van het fenomeen drugverslaving. In Nederland is men geneigd hiernaar te kijken met een sociologische bril -eenvoudig gezegd: kijkend naar de sociale context waarbinnen het verschijnsel voorkomt. In Frankrijk daarentegen legt men de nadruk juist op de individuele factoren waaruit de verslaving moet worden verklaard. Dit laatste hangt samen met de monopoliepositie die de psychiaters in Frankrijk lange tijd op de verslavingszorg hebben gehad. Het uitgangspunt in Frankrijk is dan ook dat alle sociale lagen te maken hebben met verslaving: la toxicomanie touche toutes les couches sociales. Alhoewel dit natuurlijk waar is, lijken de beschikbare bronnen er toch ook op te wijzen dat de drugsproblematiek meer voorkomt in achterstandsgebieden dan in bourgeois-buurten.

De sanitaire omstandigheden van veel verslaafden in Frankrijk is slecht. Voor zover de bronnen een representatief beeld geven van de gebruikers, is een zeer groot gedeelte van de heroïneverslaafden besmet met infectieziektes. Tussen de 60% en 80% van hen is drager van hepatitis B of C. Ook het HIV-virus is vrij wijdverspreid. Er bestaat hier niet een 'hard' cijfer, maar afgaande op de verschillende bronnen kan men er van uitgaan dat rond de 30% van de heroïneverslaafden seropositief is. Hier wordt in herinnering geroepen dat heroïne in Frankrijk bijna altijd intraveneus wordt gebruikt.

De slechte gezondheidstoestand van verslaafden blijkt ook uit het aantal overdoses dat de afgelopen jaren een stijging is blijven doormaken. In 1994 waren er 564 sterfgevallen waarbij een overdosis de primaire doodsoorzaak was, maar over het algemeen gaat men er van uit dat het werkelijke aantal overdoses het aantal van de politiestatistieken overstijgt. Dit wordt bevestigd door verschillende studies waaruit naar voren komt dat het aantal overdoses met dodelijke afloop sterk is ondergewaardeerd in de officiële statistieken. In het rapport Henrion valt te lezen dat volgens sommige bronnen overdoses in de Parijse agglomeratie verantwoordelijk zijn voor 9% van de sterfgevallen in de leeftijdscategorie van 20-34 jaar, waarmee overdosis voor deze leeftijdscategorie de derde doodsoorzaak zou zijn na Aids en zelfmoord.

Hoofdstuk 3: De aanbodzijde van cocaïne en crack

In dit hoofdstuk is een overzicht gegeven van de aanbodzijde van cocaïne en crack in Frankrijk. Hier moet bij worden gezegd dat er in Frankrijk over dit onderwerp weinig bronnen bestaan en dat sommige van de hier gepresenteerde gegevens -zoals over de crackhandel- slechts berusten op enkele summiere bronnen. Een presentatie van deze bronnen brengt het gevaar met zich mee dat andere, minder zichtbare en minder gedocumenteerde aspecten van het verschijnsel in dit overzicht zijn ondervertegenwoordigd. Zodra in Frankrijk over crackhandel wordt gesproken, gaat het bijna automatisch over de crackscene in het noordoosten van Parijs die bestaat uit (extreem) gemarginaliseerde gebruikers. Over discretere vormen van handel is nu eenmaal weinig bekend. Dit overzicht pretendeert daarom niet te beschrijven hoe de handel in cocaïne en crack werkelijk in elkaar steekt, maar beoogt slechts een opsomming te geven van wat er in Frankrijk over dit onderwerp bekend is.

Allereerst is ingegaan op de context van de produktie van, en de handel in cocaïne. Hierbij zijn cijfers getoond van de cocaïnevangsten in de landen van de Europese Unie, waarbij opvalt dat de hoeveelheden sinds enkele jaren zo omvangrijk zijn. De hoeveelheden onderschepte cocaïne zijn namelijk een veelvoud van de heroïnevangsten. Werd er in 1994 5.908 kilo heroïne onderschept, voor cocaïne was dit 28.968, bijna het vijfvoudige. De landen waar de laatste jaren veel wordt onderschept zijn Nederland en Spanje.

Ook de hoeveelheden die in Frankrijk worden onderschept zijn de laatste jaren gestegen. 1994 bleek daarbij in Frankrijk een 'topjaar' met 4.743 kilo, meer dan de vangsten van de drie voorgaande jaren bij elkaar opgeteld. (Overigens werd er in Nederland in dat jaar ook een record gebroken met een onderschepte hoeveelheid van 8.200 kilo.) In tegenstelling tot heroïne, is een te verwaarlozen deel van de cocaïne die in Frankrijk wordt onderschept uit Nederland afkomstig.

Sinds het eind van de jaren tachtig wordt in Frankrijk in toenemende mate crack te koop aangeboden. Begonnen in Parijs, breidt het verschijnsel zich ook buiten de hoofdstad uit, al komt het nog steeds hoofdzakelijk in Parijs voor. Het Parijse metrostation Stalingrad is het traditionele 'centrum' van de crackhandel, maar sinds de politie hier schoonveegacties is gestart, heeft de handel zich verspreid.

In de beginfase was de handel in crack nagenoeg exclusieve (Frans-)Antilliaanse aangelegenheid. Langzamerhand zijn 'Afrikanen' de handel gaan overnemen. Tegenwoordig kan het op sommige plaatsen in Parijs voorkomen dat men eenvoudiger crack kan krijgen dan heroïne. Het is onduidelijk of dit moet worden toegeschreven aan een ruimere aanwezigheid van crack vergeleken met heroïne, of dat het moet worden toegeschreven aan het feit dat dealers liever de lucratievere crack verkopen.

Hoofdstuk 4: De vraagkant van cocaïne en crack: de gebruikers

In dit hoofdstuk is een overzicht gegevens die in Frankrijk beschikbaar zijn over de gebruikers van cocaïne en crack. Over dit onderwerp bestaan weinig bronnen; de informatie in dit hoofdstuk is dan ook met een zeker voorbehoud. Men zou zich zelfs af kunnen vragen of op grond van deze enkele bronnen en persoonlijke observaties en gesprekken, wel een hoofdstuk als dit kan worden geschreven.

In het gebruik van schaarse bronnen schuilt een gevaar. De beschikbare gegevens over het gebruik van crack hebben namelijk slechts betrekking op de gemarginaliseerde scene in Parijs en laten minder zichtbaar en niet-deviant gebruik buiten beschouwing. Er kan hierdoor een eenzijdig en verkeerd beeld ontstaan, waarbij mogelijk verkeerde conclusies worden verbonden aan het gebruik van crack. In het vorige hoofdstuk werd al gesteld dat veel van de zichtbare verschijnselen rondom (bepaald) crackgebruik nogal eens worden toegeschreven aan de farmacologische eigenschappen van de stof, met het risico dat voorbij wordt gegaan aan de (achtergronden van) de gebruikers zelf.[276]

In dit hoofdstuk wordt daarom slechts gepresenteerd wat er in Frankrijk bekend is over het gebruik van cocaïne en crack, hetgeen is aangevuld met zelf verkregen informatie. De Franse bronnen worden hier neergezet zonder dat wordt nagegaan in hoeverre zij een representatief beeld geven van de gebruikers.

Van het gebruik van cocaïne is in Frankrijk weinig bekend. Bevolkingsstudies ontbreken geheel, en men moet zich in feite behelpen met één studie die is uitgevoerd volgens de sneeuwbalmethode. Uit deze studie komt naar voren dat de gebruikers over het algemeen onder relatief comfortabele omstandigheden leven en weinig gezondheidsproblemen kennen.

Het gebruik van crack is sinds eind jaren tachtig in Frankrijk in opkomst. Begonnen in Parijs, heeft het gebruik zich langzamerhand verspreid, maar is het wel een voornamelijk hoofdstedelijk verschijnsel gebleven. Een 'misverstand' over de aard van de stof -men dacht niet met crack van doen te hebben- heeft aanvankelijk geleid tot een verdere verspreiding van het gebruik. Was dit gebruik in de eerste fase hoofdzakelijk beperkt tot (Franse) Antillianen, in de loop der tijd zijn er Afrikaanse gebruikers bijgekomen. Lange tijd bleef het gebruik van crack, althans de zichtbare vorm hiervan, een hoofdzakelijk 'zwarte' aangelegenheid.

Alhoewel Antillianen en Afrikanen nog steeds de meerderheid van de gebruikers vormen, heeft het gebruik van crack zich de loop van de jaren negentig verspreid onder andere etnische groepen en andere soorten gebruikers, waaronder heroïnegebruikers. Deze laatste groep, gewend drugs intraveneus te gebruiken, is de crack zelfs gaan spuiten, terwijl deze drug juist was bedoeld om te worden gerookt. De nieuwe gebruikers bestaan in veel gevallen uit (voormalig) heroïnegebruikers die gedeeltelijk of geheel overstappen op crack. Dit betekent dat crack nu ook wordt gebruikt door autochtone Fransen en Maghrebijnen. De totale gebruikersgroep in Parijs wordt geschat op enkele duizenden.

Over de overstap van heroïne naar crack zijn verschillende verklaringen geopperd, maar deze dragen een voorlopig karakter. De populariteit van crack zou te maken kunnen hebben met de lage kwaliteit van de heroïne die er in Frankrijk wordt aangeboden. Dit kan echter niet met zekerheid worden vastgesteld; niet uitgesloten moet worden dat het -ook- om een modeverschijnsel gaat.

In ieder geval is duidelijk dat problematisch crackgebruik in sterke mate samenhangt met marginalisering. Dit is dan ook een belangrijk verschil tussen de gebruikers van 'gewone' cocaïne en de gebruikers van crack. Op grond van de gegevens over de Parijse crackscene komt naar voren dat de Parijse crackscene zich afspeelt in de marge van de samenleving, dat het hier gaat om een soort underground-scene waarvan de meeste activiteiten tijdens de nachtelijke uren plaatsvinden. Degenen die in deze scene belanden, waren in veel gevallen al gemarginaliseerd, welke situatie wordt verergerd zodra zij crack beginnen te gebruiken. De eerder genoemde omschrijving van Ingold & Toussirt is wat dat betreft veelzeggend: in een periode van een maand kan men een gebruiker zien afglijden naar volledige afhankelijkheid waarbij verschijnselen als vermagering, bleekheid, uitputting en een verwarde, mentale staat optreden. Nogmaals zij benadrukt dat zulks nooit alleen kan worden toegeschreven aan de stof zelf, maar dat de achtergronden van de gebruiker hierbij moeten worden betrokken.

Hoofdstuk 5: de wet van 1970: repressie en zorg

In dit hoofdstuk is een overzicht gegeven van de Franse wet op de verdovende middelen. Deze wet was bedoeld een combinatie te vormen van enerzijds repressie, de bestrijding van de handel in en het gebruik van drugs, en anderzijds zorg.

De Franse drugswetgeving die dateert van 1970 is streng. Elk druggebruik is volgens de wet een misdrijf. De achtergrond hiervan moet worden gezocht in de studenten- en protestbewegingen aan het eind van de jaren zestig die werden gesymboliseerd door mei 1968. Destijds waren het vooral jongeren die drugs gebruikten en dit gebruik werd beschouwd als non-conformistisch, deviant gedrag waartegen moest worden opgetreden.

Druggebruik is weliswaar een misdrijf, maar vervolging kan worden ontlopen door een behandeling te volgen, de injonction thérapeutique. In de praktijk blijkt dit systeem niet zo goed te hebben gewerkt als men indertijd beoogd had, wat ondermeer te maken heeft met een slechte samenwerking tussen justitie en de zorgsector. Aan de ene kant werden er onvoldoende injonctions thérapeutiques uitgesproken, anderzijds kwam het voor dat zij slechts voor de vorm werden uitgesproken. Uiteindelijk zijn de lokale omstandigheden bepalend voor het beleid in de praktijk. In sommige departementen, zo blijkt, wordt de injonction thérapeutique bijvoorbeeld helemaal niet toegepast.

Het officiële drugsbeleid - de wet en de circulaires van Justitie- is er op gericht de gebruikers van drugs in principe niet te vervolgen. De circulaires bevelen aan het in het geval van cannabis bij een waarschuwing te laten, terwijl gebruikers van cocaïne en heroïne in aanmerking komen voor de injonction thérapeutique. Men zou hierdoor de indruk kunnen krijgen dat druggebruik geen opsporingsprioriteit heeft. De politiestatistieken laten zien dat dit allerminst het geval is. Driekwart van de aanhoudingen voor overtreding op de wet op de verdovende middelen betreft druggebruikers. In 1994 ging het hier namelijk om 44.000 aangehouden druggebruikers op een totaal van 60.000 drugsaanhoudingen. Van de (44.000) aangehouden druggebruikers blijkt het in tweederde van de gevallen om cannabisgebruikers te gaan.

Een drugsaanhouding leidt niet altijd tot een vervolging. Het verhaal wil dat druggebruikers die geen andere delicten hebben gepleegd, niet worden veroordeeld. Uit cijfers over 1991 blijkt evenwel dat er in dat jaar meer dan 4.000 veroordelingen voor druggebruik zijn uitgesproken. In tweederde van deze gevallen was de veroordeling een gevangenisstraf, maar deze werd niet altijd ondergaan. Op 1 januari 1994 bleken er 168 druggebruikers voor het delict druggebruik in de gevangenis te zitten.

De combinatie van zorg en repressie blijkt in de praktijk moeilijk. In Frankrijk ligt de nadruk vaak op repressie, wat er ondermeer toe heeft geleid dat de aanwezigheid van politie soms heeft verhinderd dat druggebruikers zich wenden tot de zorg.

Hoofdstuk 6: Het Franse model van de verslavingszorg

In dit hoofdstuk is een beeld geschetst van de opvattingen die in Frankrijk lange tijd het drugsdebat hebben gedomineerd. De Franse psychiaters hebben hier een groot aandeel in gehad. Nadat de Franse drugwetgeving in 1970 in werking was getreden had de regering de verslavingszorg min of meer uitbesteed aan de psychiaters. Het gevolg hiervan is geweest dat in Frankrijk lange tijd de nadruk heeft gelegen op de klinische benadering van druggebruik. Het Franse verslavingsmodel dat een flinke psycho-analytische component heeft, zocht de oorzaken van druggebruik vooral bij het individu. Sleutelwoord van dit model is 'trangression', hetgeen overtreding betekent. Druggebruik wordt gezien als een overtreding van een wet of van een burgerlijke norm. Druggebruik wordt zodoende gezien als een signaal dat het leven van de druggebruiker niet voldoende is gestructureerd. In ieder geval keek het Franse model in eerste plaats naar de individuele problematiek van de verslaafde in plaats van naar de ruimere, sociale context.

Het feit dat deze visie op druggebruik lange tijd dominant in Frankrijk is geweest en -in tegenstelling tot de meeste andere landen- geen echte concurrentie heeft gehad van andere visies op druggebruik en verslaving, verklaart ondermeer waarom Frankrijk zo laat is overgegaan op harm reduction-maatregelen. De Franse psychiaters verzetten zich namelijk hiertegen. Methadonverstrekking was in de ogen van de psychiaters die belast waren met de verslavingszorg een teken van zwakte dat voorbijging aan de werkelijke problematiek. Om dezelfde reden was men ook tegen de spuitomruil of de vrije verkoop van spuiten bij de apotheek: het is niet coherent om drugs te verbieden en tegelijkertijd mogelijk maken dat deze drugs worden geïnjecteerd door spuiten te verkopen.[277]

Afgezien van het feit dat deze visie tot in het begin van de jaren dominant is geweest, speelde hier ook mee dat in Frankrijk een goed volksgezondheidsbeleid ontbrak. De risico's van Aids en intraveneus druggebruik zijn hierdoor in grote mate onderschat of genegeerd, waardoor men ook niet zo goed de noodzaak inzag van spuitomruil en methadonprogramma's.

Een andere consequentie van de monopoliepositie van de psychiaters op de verslavingszorg, is dat te weinig wordt gekeken naar het verband tussen verslaving en de sociaal-economische achtergronden van verslaving. Het Franse klinische model reduceerde immers problematisch druggebruik tot een individuele problematiek. Een dergelijke visie kan op iemand uit Nederland, waar de sociologen zich sinds lange tijd met de drugsproblematiek bezig houden, uiterst vreemd overkomen. De situatie in achterstandsbuurten en buitenwijken van steden als Parijs en Lille, wijst er toch op dat er een heel duidelijk verband tussen problematisch druggebruik en sociaal-economische omstandigheden bestaat. Directeur Godelle van de organisatie Itinéraires die actief is in de achterstandswijken van Lille, wees er op dat het hem veel moeite heeft gekost duidelijk te maken dat er in Lille wat anders aan de hand was dan een cumulatie van individuele problematieken en dat de verslaafden wellicht niet direct een psychiater nodig hadden.

De verklaringsmodellen die in Frankrijk zijn gebruikt voor het verschijnsel verslaving, lijken in sterke mate verouderd. Niet voor niets concludeert het rapport-Henrion over het verslavingsbeleid dat het systeem weinig innovatief is en dat innovaties zich altijd in de marge afspelen en met moeite tot stand komen.[278] Men is als het ware blijven 'hangen' in de modellen van de jaren 70, een periode waarin deze modellen misschien -een deel van- het fenomeen konden verklaren. De verslavingsproblematiek die zich vandaag de dag, in de jaren negentig in Frankrijk manifesteert, heeft echter weinig te maken met de stoornissen uit de jeugd, maar veel meer met de sociaal-economische omstandigheden en de perspectiefloze situatie waarin jongeren opgroeien. De sociale ellende waarin zij verkeren, creëert als het ware een potentiële afzetmarkt voor een roesmiddel als heroïne.

In de jaren negentig zouden meer sociologische benaderingen van de verslavingsproblematiek in Frankrijk ingang vinden. Dit heeft er toe geleid dat uiteindelijk wel werd overgegaan op een beleid met preventieve maatregelen, zoals methadonprogramma's en spuitomruil. Men stapte officieel over op een beleid van harm reduction: la réduction des risques.

Hoofdstuk 7: Het zorgbeleid van de jaren negentig

In de jaren negentig is Frankrijk begonnen zijn drugsbeleid bij te stellen. Er is een kentering opgetreden, waarmee een einde kwam aan een beleid dat door Alain Ehrenberg is gekarakteriseerd als de gouden driehoek abstinentie-afkicken-uitbannen.[279] In 1993 en vooral 1994 ging de Franse regering officieel over tot een harm reduction- beleid.

Het feit dat men uiteindelijk wel overging tot substitutieprogramma's, is niet zozeer toe te schrijven aan de specialisten (psychiaters) die jarenlang verantwoordelijk waren voor de verslavingszorg. Evenmin is de regering hiervoor verantwoordelijk geweest, al hebben sommige politici hier wel een belangrijk aandeel in gehad. Veel belangrijker zijn de nieuwe bewegingen geweest die zich met de verslaafdenzorg gingen bezighouden. Werden zij in het begin wel eens 'militant' genoemd, uiteindelijk hebben zij wel voor elkaar gekregen waar zij voor stonden.

Aan de ene kant was er de nieuwe stroming, bestaande uit verschillende organisaties, die een harm reduction-beleid voorstonden. Deze stroming was verenigd in Limiter la casse (letterlijk: risicobeperking). Aan de andere kant waren er 'bevlogen' huisartsen die, bij gebrek aan legale substitutiemiddelen als methadon, tegen de stroom in, op eigen initiatief substitutiemiddelen zijn gaan voorschrijven. De bekendste van deze artsen is Jean Carpentier. Hij nam zelf het heft in handen door verslaafden illegaal opiaten voor te schrijven, waarvoor hij zich beriep op zijn medische plicht verslaafden te helpen. Carpentier was lang niet de enige arts die dit deed, maar hij is één van de weinige artsen die met deze praktijk is doorgegaan toen de artsenorganisatie Conseil National de l'Ordre des Médecins restricties oplegde aan het voorschrijven van deze middelen aan verslaafden. Jean Carpentier en andere 'militante' artsen werden door sommige van hun collega-artsen verguisd en er van beschuldigd 'dealers in witte jassen' te zijn. De Conseil National de l'Ordre des Médecins ontnam Carpentier en een collega gedurende een maand de medische bevoegdheid wegens het op niet-reglementaire wijze voorschrijven van opiaten.

De voorvechters van het voorschrijven van opiaten aan verslaafden, lijken de slag te hebben gewonnen. Onder de regering Balladur werd, onder aanvoering van Simone Veil en haar onderminister Douste-Blazy een begin gemaakt met harm reduction-maatregelen. Het aantal methadonplaatsen liep op van 52 in 1993 tot 525 in 1994 en meer dan 1.000 in 1995.

Naast methadon is er ook het middel subutex (buprenomorfine in hoge dosering) op de markt gekomen, dat een eind moet maken aan het illegaal voorschrijven van opiaten aan verslaafden. Subutex kan voortaan door elke arts worden voorgeschreven, de patiënt kan het middel vervolgens bij de apotheek halen en krijgt 65% van de kosten vergoed. Methadon daarentegen kan niet door een huisarts worden voorgeschreven. Voorwaarde van methadonverstrekking aan een opiaatverslaafde is dat de methadon eerst wordt verstrekt door een gespecialiseerd centrum. Is deze persoon na enkele maanden van methadonbehandeling geheel stabiel (persoonlijk, sociaal en therapeutisch), dan kan op zijn verzoek of op instigatie van de behandelend arts worden besloten hem door te verwijzen naar een huisarts. Met deze arts zal vervolgens een contract worden afgesloten, waarbij eveneens afspraken worden gemaakt bij welke apotheek de methadon kan worden gehaald. Ook methadon wordt voor 65% vergoed door de ziektekostenverzekeraars.

Huisartsen moeten bij de verstrekking van substitutiemiddelen een toenemende rol spelen. Het is in dit opzicht veelbetekend dat de ziektekostenverzekeraar Mutualité française de belangrijkste voortrekker is in deze ontwikkeling. Alhoewel de toenemende rol die huisartsen moeten gaan spelen als positief moet worden beschouwd, zijn er toch ook haken en ogen aan dit beleid. Dit heeft hoofdzakelijk te maken met het -vooralsnog- geringe aantal gespecialiseerde centra en de overbelasting waarmee zij te kampen hebben. Eenieder die in aanmerking wil komen voor methadon, moet immers eerst gedurende enkele maanden een dergelijke behandeling ondergaan bij een gespecialiseerd centrum. De wachtlijsten hier zijn lang, waardoor het nog geruime tijd zal duren voordat iedereen die dat wil, ook werkelijk methadon kan krijgen. Het is daarom vooralsnog onduidelijk hoe men wil komen tot de beoogde 45.000 opiaatverslaafden die substitutiemiddelen krijgen voorgeschreven, zoals staat vermeld in het regeringsplan van september 1995. Evenmin zijn hiervoor al financiële middelen vrijgemaakt.

[Previous] [Next]

 

Last update: May 25, 2016